Het is een treurige geur. Ik ruik ’m al als ik de voordeur in de hal opendoe. Vocht, schimmel, rot, stof, muizenpis. Rattenpis misschien wel, laatst heeft iemand hier beneden een rat zien zitten op het zadel van een fiets die naast de trap geparkeerd stond.
Ik beklim de trap: 48 uitgesleten treden naar de flat. Mijn voeten worden vanzelf zwaarder naarmate ik hoger kom. De leuning hangt los aan de muur. Slof, slof, slof, slof. Ik hoor muziek op de tweede overloop: Saturday Night, Herman Brood, het klinkt als zondagmorgen, met een enorme kater. Slof, slof, slof, slof.
Ik bel aan. Ik hoor niks. Ik bons op de deur. ‘Jajajaja!’, roept hij vanuit de gang, ‘Sinterklaasje kom maar binnen…’ De deur klemt, de scharnieren piepen als in een oud hoorspel. De treurige geur mengt zich met die van geroosterd brood.