Ik zit enorm te Berlagen, dezer dagen, te H. P. Berlage(n). De bouwmeester was mijn overgrootvader. Ik ben een voorstelling aan het maken over zijn idealen, zijn drijfveren tot bouwen voor de toekomst, anno 1919.
Bouwen is dienen, dat was zijn devies. Bouwen voor iedereen. Hij streefde naar een gemeenschapskunst op basis van eenheid-in-verscheidenheid. Dat zou leiden tot verzoening van massaproductie en esthetische verfijning.
Iedereen moet wonen, en dan niet zomaar in een huis, vond hij. Iedereen heeft recht op een huis dat gebouwd is door een architect die een ruimtedichter is. Een huis wordt pas poëzie met tegenstellingen. Laag tegenover hoog, smal tegenover breed en licht tegenover donker. ‘Men voelt onbewust den aard van belendende ruimten, heel de geheimzinnige aanvoeling en werking van vertrek op vertrek. Het is de verloren ruimtepoëzie welke de tijd moet herwinnen, maar vernieuwd moet herwinnen.’
‘De wijk zelf is ook een gebouw, vond Berlage’
We hebben, schreef hij, een vernieuwde vorm van de ruimtes nodig waarin wij ons thuis voelen, waarin de werkelijkheid van deze tijd leeft en waarin onze geest zijn uitdrukking vindt. ‘Een kunstwerk,’ een huis dus, ‘is alleen trouw aan de werkelijkheid als het in staat is die werkelijkheid te veroveren.’
Hij schreef dit niet over villa’s of landhuizen, dit ging allemaal over arbeiderswoningen. Mensen worden gelukkiger als ze leuk wonen, dacht hij.
Dat vind ik nou een mooie, lieve en verheffende gedachte. Een gedachte die architecten van nu kan inspireren om mooie nieuwe wijken te bouwen, voor veel verschillende soorten mensen. Want de wijk zelf, vond Berlage, is ook een gebouw. Pleinen zijn zalen, straten zijn gangen. In een goede wijk woon je in een huis dat in een gebouw staat. Je bent er dubbelthuis. Je wordt iedere dag opnieuw verrast door je omgeving.
‘Meer poëzie in de gebouwde omgeving komt aan iedereen ten goede’
Het kan, dacht Berlage. Geldkwesties en hang naar no nonsens hoeven dat niet in de weg te staan. Je hoeft je als architect maar 1 ding af te vragen: waar zou ik zelf graag willen wonen? En dat combineer je dan met de praktische eisen van deze tijd. Ik weet het, ik heb makkelijk praten. Ik ben geen architect, slechts een nazaat. Maar toch, meer poëzie in de gebouwde omgeving komt aan iedereen ten goede.